De KNO-arts kijkt nog eens diep in mijn oren. Hij schudt zorgelijk zijn hoofd; het ziet er niet goed uit daarbinnen, concludeert hij. Het knippen van de amandelen heeft dus duidelijk geen soelaas geboden. Wel een beetje jammer, want ik heb enorm geleden. Het hele gezin, behalve Pim, trouwens ook. Nachtenlang heb ik gegild van de pijn. Mijn ouders wisten zich geen raad; ik zou me toch juist nu beter moeten gaan voelen. Dan word ik op een ochtend wakker met jawel een loopoor. Ik heb dus wederom oorontsteking. Vandaar dat wij nu eerder dan verwacht, terug in het ziekenhuis zijn.
De arts legt uit dat achter het trommelvlies in mijn linkeroor veel vocht zit. Rechts zijn mijn bloedvaatjes uitgezet. Hij vraagt aan mijn moeder of ze wel eens gemerkt heeft dat ik niet zo goed hoor. Mijn moeder lacht een beetje ongemakkelijk. Ja, dat heeft ze wel eens gedacht. Maar ze ging er van uit dat alles aan mij wel functioneert. Daarom heeft ze het er maar op gehouden dat ik gewoon niet naar haar wil luisteren. De arts grinnikt; daar had hij zelf dus nog niet over nagedacht.
Ze keuvelen nog een tijdje door. Dan worden de agenda’s getrokken; ik moet toch nog een keer geopereerd worden. Dit keer krijg ik buisjes. Het laatste redmiddel, zo rondt de arts het gesprek af; hij weet het verder ook niet meer.
Dan volgen twee lange weken. Met mijn oren gaat het redelijk goed. Op de avond voor de grote operatie gil ik als een speenvarken. Ik grijp naar mijn oren en schop wild met mijn beentjes. Heel wreed dat dit blijkbaar toch nog een keer zo moet zijn. Na anderhalf uur val ik in een diepe slaap. De volgende ochtend slaap ik lekker uit; ik mag toch niets eten en drinken. Mijn moeder takelt me uit bed, verschoont me en duwt een superraket tussen mijn billen. Dan ben ik goed suf voordat ik in het ziekenhuis weer in slaap wordt gebracht. Ik neem afscheid van mijn vader en mijn broertjes. Als een mak schaap laat ik me in de auto zetten. Dan rijden we naar het ziekenhuis.
Op de zaal speel ik met de speelgoedautootjes. Ik lijk rustig maar binnenin kolkt het. Mijn moeder trekt mij het operatiehemdje aan. Ik werk niet echt mee maar het ding zit in no time om me heen. Dan doet ze mijn polsbandje om. Opeens ontsteek ik in grote woede; ” die wil ik niet”, gil ik, ” die doet pijn.” Ik zet het op een huilen. Helaas voor mijn moeder ben ik als een-na-laatste aan de beurt vandaag. Ze zit het komende uur dus met een duiveltje opgescheept. Mijn overbuurvrouw van 5 probeert mij op te vrolijken. Ze heeft een mooie tekening voor mij gemaakt en raapt mijn konijn op, dat ik net op de grond heb gegooid. Ik accepteer haar uitnodiging om samen met haar te kleuren. Twee minuten gaat het goed; dan heeft het polsbandje weer mijn volledige aandacht.
Even na negenen ben ik aan de beurt. Mijn moeder draagt mij naar de operatiezaal; de zuster duwt het bed achter ons aan. De deur van de OK gaat open. De anesthesist geeft mijn moeder een hand en stelt vragen over mijn persoontje. Dan legt mijn moeder mij op de tafel. Opeens overvalt mij een déjà-vu gevoel; hier ben ik al eens eerder geweest. Ik zet het op een huilen. Het kapje gaat over mijn mond en neus en smoort mijn gesnik. Ik geef me echter niet gewonnen en jammer door. Dan val ik in een diepe slaap. De arts gaat aan het werk en mijn moeder gaat een kopje thee drinken.
Tien minuten later lig ik de ronken op de verkoeverkamer. Ik lig er niet al te charmant bij. In mijn oren zit opgedroogd bloed. Aan mijn teen hangt een knijper en om mijn tong zit een plastic buisje. Via een kapje krijg ik extra zuurstof toegediend. Mijn moeder en de zuster proberen mij wakker te krijgen. Als ik eenmaal weer terug op de aarde ben, huil ik hartverscheurend. Dat houd ik twintig minuten vol. Ondertussen zijn we weer terug op zaal. Een zuster brengt lekkere ijsje rond. Dat lust ik dit keer wel. Mijn tranen zijn snel opgedroogd. Nog een andere zuster brengt brood rond. Ik kies hagelslag als beleg. Binnen no-time ben ik klaar. Het smaakt naar meer. Mijn moeder regelt nog een tweede boterham. Dan ben ik voor even verzadigd. Mijn aandacht richt zich opnieuw op het polsbandje. Mijn moeder roept de zuster. Die trekt het ding van mijn arm. Gelukkig, nu kan ik eindelijk rustig spelen.