- ik inmiddels twee woorden tot in perfectie beheers;
- alles tegenwoordig “mama” of “papa” is;
- ik tegen de bezem, opa Boermans en soms tegen Pim “papa” zeg;
- ik “mama” tegen oma Joke zei na drie dagen bij haar te hebben gelogeerd;
- opa Tjerk het toen tijd vond om me weer naar huis te retourneren;
- ik de postbode in verlegenheid bracht door hem “papa” te noemen;
- hij benadrukte dat hij de papa van iemand anders was;
- mijn vader mijn moeder hierover niet nader aan de tand heeft gevoeld.