– ik heel goed kan praten voor de twee-en-een-half jaar die ik oud ben;
– ik praten vooral in de gebiedende wijs doe;
– ik mijn moeder de frikandel haast in haar mond duw met de woorden ” jij even blazen”;
– ik haar mijn spullen in de hand geef en zeg: ” jij even opruimen”;
– ik mijn broer in de douche opzij duw met de overbodige toevoeging: jij even opzij gaan”;
– mijn ouders dus nog mijn taalgebruik aardig mogen bijschaven.