De zomervakantie is inmiddels in volle gang. Over een viertal weken moet ik mij melden bij juf M. Zo staat het namelijk op de mooie ansichtkaart die van de week op de mat viel. Mijn moeder zit aan de grote tafel. Haar gezicht ziet een beetje bleek. Voor haar neus ligt DE vragenlijst van meester J., het opperhoofd van mijn school. De juf is benieuwd wat voor een vlees ze in de kuip heeft. Mijn moeder die elke dag met mij opgescheept zit, is dus de aangewezen persoon om iets zinnigs over mij te vertellen. De eerste vragen gaan over mijn karakter. Die kan ze makkelijk beantwoorden.
Dan leest ze verder. Is uw kind zelfredzaam? Kan hij/zij zichzelf aankleden? Mijn moeder’s gedachten dwalen meteen af naar vanochtend. Ik lig huilend op de grond en trap met mijn beentjes in de lucht. Naast mij liggen een onderbroek en een broek klaar met de voorzijde naar boven. Ik hoef alleen nog mijn beentjes in de pijpen te steken. Zo gemakkelijk geef ik mij echter niet gewonnen. ” Mama,’ roep ik, ” jij moet mij helpen!” Juf A. /M. gaat mijn broek niet omhoog hijsen na het toiletbezoek, laat ze me weten, ” Maar ik kan het écht niet”, gil ik hysterisch.
Volgende vraag; is uw kind zindelijk? Dat is lastig, bedenkt ze. Overdag plas ik met hulp van mijn moeder op de wc. Alleen kan ik het namelijk niet, laat ik mijn moeder boos weten. Ik trek als een gek aan mijn broek. Het gaat ook niet lukken; ik trek mijn broek namelijk omhoog, niet omlaag. Mijn onderbroek glijdt ook al niet zo makkelijk over mijn billen heen. Bovendien heeft mijn vader de toiletpot te hoog aan de muur opgehangen. Het krukje dat ervoor gepositioneerd is, biedt geen uitkomst. ” Ik kan er niet opklimmen,” schreeuw ik tegen mijn moeder.
Natuurlijk wil de juf ook iets weten over onze gezinssituatie. Geen samengesteld gezin, geen stiefzussen of -broers of halfbroers en -zussen; ons gezin is dus praktisch een uitzonderingsgeval. Men wil dus duidelijk achterhalen hoe makkelijk ik in de omgang ben met andere kinderen. Mijn moeder schrikt op van het plotseling gejammer van Bas. Hij heeft net geprobeerd mijn treintje af en pakken. Nu prijkt er een mooie afdruk van mijn gebit in zijn armpje. Ik krijg straf en moet naar mijn kamer. ” Guus kan over het algemeen goed omgaan met andere kinderen”, schrijft ze op.
Dan gaat de deurbel. Vriendinnetje L. staat voor de deur. Ze vraagt of ik bij haar thuis wil spelen. Dat wil ik wel. Eerst moet ik nog even plassen. Ik klim op de kruk, trek mijn broek omlaag en doe een grote plas. Ik veeg af en trek mijn broek omhoog. Op de gang trek ik snel mijn jas aan en doe de sandaaltjes aan mijn voeten. In de woonkamer zoek ik nog snel enkele treintjes bij elkaar. L. houdt net zoals ik van treintje spelen. Kunnen we mooi samen spelen. Mijn moeder denkt aan de vragenlijst en haalt opgelucht adem. Ze hoeft toch geen spoedcursus (her)opvoeden te doen.