Mijn loopfietsje en ik waren tot voor kort een vertrouwd onderdeel van het Baarnse straatbeeld. Veel voetgangers herinneren zich levendig hoe ik hen van de spreekwoordelijke sokken heb gereden. Heel wat automobilisten hebben inmiddels al bovenop het rempedaal gezeten om een ramp te voorkomen. Mijn moeder heeft al vaak ternauwernood een hartaanval overleefd. Ik ben een snelle èn onverschrokken coureur. Gelukkig heb ik een miljoen engeltjes op mijn schouder zitten. Die hebben tot nu toe hun werk voortreffelijk gedaan.
Mijn loopfiets is het een stuk minder voortvarend vergaan. Op een goede dag sjees ik naar huis. We hebben net Pim en vriendje J. opgehaald. Dan lig ik plotseling op mijn snufferd. Met een handvat in mijn hand. Dat handvat zit aan de andere kant niet meer vast aan de loopfiets. Ik ben ontroostbaar. Mijn moeder snelt te hulp, lichamelijk en geestelijk. Ze controleert of ik nog het aantal vingers kan tellen dat ze in de lucht houdt. Dan spreekt ze troostende woorden uit; ik ben bijna vier. De loopfiets is passé, het wordt tijd dat ik leer fietsen op een echte fiets.
Bij gebrek aan beter haalt mijn moeder de fiets van mijn oudere broer van stal. Pim is toch niet zo’n fietser. Ik klamp me aan mijn moeder vast die de fiets tegelijkertijd duwt en stuurt. Met de trappers weet ik mij absoluut geen raad; ik trap continue naar achteren. Mijn moeder heeft inmiddels in de gaten dat het geen appeltje eitje gaat worden, dat leren fietsen. Ze hijgt en puft. Dan marcheert ze naar binnen en zet de computer aan. Ze zoekt een tweedehands fietsje, met zijwieljtes. Om nog precieser te zijn, ze zoekt een fietsje van Thomas de Trein. Met zijwieltjes.
Zodoende zitten we vanochtend in de auto. We zijn op weg naar Wijchen, Gelderland waar een exemplaar op mij wacht. Na dik een uur komen we aan in een volksbuurt. De verkoper onthaalt ons vriendelijk en brengt ons naar de keuken. Daar staat het fietsje. Ik loop voorzichtig erop af en bekijk het van alle kanten. Dan raak ik het heiligdom voorzichtig aan. Ik droom niet; deze is voor mij! Ik stap op de tweewieler met hulpwieltjes, duw de trappers in en fiets zo richting de openstaande voordeur. Even over de drempel en ik fiets door tot ik bij de auto ben.
Thuis kan ik niets anders dan rondjes in de tuin fietsen. Ik ben zo trots als een pauw op mijn fietsje. Dat betekent helaas voor mijn kleine broertje dat hij de fiets alleen van een afstandje mag bewonderen. Op een goede dag zal het zijn vervoersmiddel zijn. Tot die tijd is het mijn bezit. Ik