Aan verschonen heb ik een broertje dood. Telkens als het zover is, ga ik in de aanval; ik trap woest met mijn beentjes in de lucht, schreeuw de longen uit mijn lijf en probeer met mijn knuffelkonijn mijn strontkont af te vegen. Ook vanavond heb ik er duidelijk geen zin in. Mijn vader is dit keer de Sjaak; hij krijgt een paar rake trappen. Dan zegt hij op harde toon; ” dat is niet aardig, Guus.” Nu moet ik diep door het stof; mijn beentjes leg ik te rusten en dan zeg ik welgemeend: ” sorry, papa!”